De Gebarenwereld
[Raad voor Cultuur] [King Kong in Klein Carré] [Hé... Hallo!] [Elders...]

Het advies van de Raad voor Cultuur


Raad voor Cultuur
advies Nederlandse Gebarentaal / Stichting Vi-taal

17 september 1997


Mijnheer de Staatssecretaris,

In uw brief van 11 juli 1997 verzoekt U de Raad zijn mening te geven over het rapport 'Meer dan een gebaar' van de commissie Nederlandse Gebarentaal, in bet bijzonder over de consequenties voor het cultuurbeleid van een erkenning van de Nederlandse gebarentaal. Als tweede punt in uw brief herhaalt U uw verzoek te adviseren over de subsidie-aanvraag die de stichting Vi-taal indiende in het kader van de Cultuurnota 1997-2000. In zijn advies over de Cultuurnota 1997-2000 gaf de Raad te kennen zich een oordeel over de subsidieaanvraag van de stichting Vi-taal voor te behouden tot de commissie Nederlandse gebarentaal haar rapport had uitgebracht over de erkenning van de Nederlandse gebarentaal en de consequenties daarvan voor het overheidsbeleid.
Dat rapport werd in juni van dit jaar uitgebracht. De Raad hecht er aan te benadrukken dat hij de erkenning van de gebarentaal en de beoordeling van de stichting Vi-taal in zoverre als gescheiden kwesties ziet dat enige graad van erkenning van de gebarentaal geenszins automatisch een subsidietoekenning aan de stichting Vi-taal met zich brengt.

1. De Nederlandse gebarentaal
De Raad heeft kennis genomen van het rapport 'Meer dan cen gebaar' van de commissie Nederlandse Gebarentaal. Het betreft een doorwrochte studie die de problemen die verbonden zijn met deze ingewikkelde materie goed in kaart brengt. De materie is gecompliceerd omdat deze met veel facetten van het regeringsbeleid raakvlakken heeft, zonder dat daar tot dusver duidelijke beleidskaders voor aanwezig zijn.

De Raad volgt de commissie in haar pleidooi voor erkenning van de gebarentaal. In hoeverre gesproken moet worden van een 'volwaardige' natuurlijke taal acht de Raad een linguïstische kwestie waar hij niet in wil treden. Wel meent hij te kunnen spreken van 'waardevol', gelet ook op de betekenis van de gebarentaal voor een normale sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling van doven en slechthorenden. Voor hen bevordert beheersing van de Nederlandse gebarentaal de verwerving van het Nederlands als tweede taal en de integratie in de samenleving. Her belang van de Nederlandse gebarentaal wordt naar de mening van de Raad in het rapport overtuigend aangetoond.

Op welk niveau de erkenning van de Nederlandse gebarentaal gesitueerd moet worden (wellicht op hetzelfde niveau als het Saksisch en het Limburgs?) kan de Raad onvoldoende overzien. Wel meent hij te kunnen stellen dat ook de lichtste vorm van erkenning een politieke verantwoordelijkheid met zich brengt. Die verantwoordelijkheid zal het rijk moeten nemen.

Dat de Nederlandse gebarentaal een uiting van cultuur is en zelf cultuurprodukten genereert acht de Raad boven twijfel verheven. Hij sluit zich aan bij de opvatting van de NGt-commissie dat de Nederlandse gebarentaal meer is dan cen 'louter functioneel communicatief hulpmlddel'. Het kan ook een 'medium van artistieke expressie' zijn. Dat de Nederlandse gebarentaal ook kwalitatief interessante cultuurprodukten voort kan brengen sluit de Raad zeker niet uit, maar dat dient van geval tot geval bekeken te worden. De beoordeling van die kwaliteit is nog een 'praktisch' probleem. De Raad is het dus cens met aanbeveling 20 uit het rapport, die stelt dat bij de formele erkenning van de Nederlandse gebarentaal dient te worden vastgesteld dat deze erkenning zich ook kan uitstrekken tot de cultuur in die taal.

Een en ander betekent in elk geval dat de Nederlandse gebarentaal ook behoort tot het aandachtsveld van het ministerie van OCenW. Aanbeveling 21 in her NGt-rapport stelt dat de overheid een stimulerend beleid dient te voeren, gericht op de ontwlkkeling van kunstprodukties in de Nederlandse gebarentaal. De Raad is het hiermee eens, maar tekent aan dat voorkomen moet worden dat dit beleid van bovenaf ontwikkeld wordt. Hij geeft er de voorkeur aan dat voorstellen voor invulling van een dergelijk beleid vanuit het veld zelf komen. De subsidieaanvraag van de stichting Vi-taal (zie hierna) ziet de Raad als zo'n voorstel.

Met het bovenstaande meent de Raad de belangrijkste principiële vragen uit uw adviesaanvraag beantwoord te hebben. Een aantal vragen op het terrein van enkele specifieke disciplines (media, cultuureducatie, theater, musea) kon binnen de door u gewenste termijn nog niet beantwoord worden. Die antwoorden zullen geformuleerd worden in een vervolgadvies.

2. De stichting Vi-taal
Om de stichting Vi-taal als culturele instelling te kunnen beoordelen heeft een delegatie van de Raad zich begin mei in de Gebarenwinkel van de stichting Vi-taal laten informeren over haar activiteiten. Deze zijn primair gericht op de ontwikkeling en verspreiding van de gebarentaal, in het bijzonder de culturele en kunstzinnige uitingen daarvan. De doelgroep van de stichting bestaat niet alleen uit doven en slechthorenden maar omvat ook hun ouders, klasgenoten, verstandelijk gehandicapten en allen die geïnteresseerd zijn in de gebarentaal.

De Raad is van mening dat de activiteiten van de stichting Vi-taal onder Onderwijs en Cultuur vallen, niet onder Welzijn. Een aantal activiteiten is duidelijk gericht op Media en Cultuureducatie; het maken van gebarenpoëzie, theaterprodukties voor doven en het vertalen van eigentijdse kinderliteratuur in gebarentaal valt onder de Kunsten, in het bijzonder de disciplines Letteren, Theater en Amateurkunst.

De pioniersarbeid die de stichting Vi-taal in de afgelopen jaren heeft verricht, heeft niet alleen ecn groter draagvlak doen ontstaan voor de gebarentaal maar heeft ook resultaten opgeleverd die evident als culturele produkten kunnen worden aangemerkt. Dit geldt zowel voor de verspreiding en de verrijking van de Nederlandse gebarentaal als voor de theaterprodukties, vertaalprojekten en boekuitgaven, in het bijzonder de vertaling naar de gebarentaal van gedichten en andere kunstzinnige teksten. Die vertalingen gaan het niveau van hulpmiddel om teksten over te dragcn te boven, zoals bij literaire vertalingen eveneens het geval is. Zij hebben een op zich zelf staande waarde. Her betreft hier de ontwikkeling van een cultuurgoed dat tot op heden weinig aandacht heeft gekregen. De Raad acht deze activiteiten van zodanig landelijk belang dat hij de vraag of de stichting Vi-taal structurele ondersteuning verdient. bevestigend meent te kunnen beantwoorden. Op die manier kan aan de afhankelijkheid van de Sociale Dienst cen eind worden gemaakt. De Raad acht het derhalve gerechtvaardigd de instandhouding van het bureau veilig te stellen middels het toekennen van een meerjarig subsidie.

Naast het instandhoudingssubsidie heeft de stichting behoefte aan aanvullende middelen voor de projekten die zij uitvoert. De kosten van die activiteiten kunnen, gelet op het arbeidsintensieve karakter en op de omvang van de doelgrocp, nooit geheel commercieel gedekt worden. De stichting is daarvoor derhalve afhankelijk van Fondsen, die incidentele projekten beoordelen en steunen. Zoals het Fonds voor de Podiumkunsten, het Fonds voor de Amateurkunst en het Literair Produktie- en Vertalingen Fonds. De beoordeling van deze projekten door de Fondsen vereist deskundigheld op dit specifieke terrein en deze lijkt vooralsnog nauwelijks aanwezig bij de Fondsen. De Raad dringt er op aan dat voor dit knelpunt in gczamenlijk overleg een oplossing wordt gevonden.

Over de omvang van het toe te wijzen subsidie merkt de Raad het volgende op. In de toelichting bij de begroting stelt de stichting dat de begroting is opgesteld volgens de richtlijnen van het ministerie, maar dat het team dat Vi-taal runt eigenlijk niet valt op te delen in Directie, Algcmeen en Uitvoerend personeel. Dit ter verklaring van de ogenschijnlijk topzware structuur met een grote post voor directie en een kleine voor uitvoerend personeel. De Raad acht dit, gelet op de voorgeschiedenis, begrijpelijk, maar is er niet van overtuigd dat de omvang en de samenstelling van de huidige bureaubezetting de meest gewenste is. De onderlinge verhouding van de verschillende kostenposten op de begroting nodigt uit tot het zoeken naar varianten. Gevraagd wordt een bedrag van ruim 5 ton op jaarbasis, voor een door 5 medewerkers bemenst bureau. Dit is een vrij fors bedrag voor een instelling die voor her eerst meerjarig subsidie ontvangt. Daar staat tegenover dat het hier geen echte nieuwkomer betreft maar een instelling die al ruim tien jaar functioneert met steun van de Sociale Dienst. De eigen inkomsten maken iets minder dan 15% uit van de totale exploitatie.

Toewijzing van subsidie vergt een aangepast beleidsplan, waarin nog eens uitvoeriger wordt aangegeven welke projekten de stichting in de komende jaren denkt aan te pakken en welke doelen zij zich in de komende jaren stelt. Met het oog op de beoordeling van deze projekten is het gewenst ook de Fondsen tijdig te informeren.

U vroeg de Raad tevens zich uit te spreken over de kans op overlapping van de werkzaamheden van de stichting Vi-taal met die van andere instellingen binnen de door de Commissie Nederlandse gebarentaal aanbevolen infrastructuur. Die infrastructuur dient gericht te zijn op de inventarisering en de bestudering van de Nederlandse gebarentaal, alsmede de ontwikkeling, het gebruik en de verspreiding ervan. De stichting Vi-taal ontplooit activiteiten die ten dele ook door andere instellingen (kunnen) worden verricht, zoals het Nederlands Gebarencentrum. De Raad acht de kans op overlapping van werkzaamheden op dit moment, nu er nog geen duidelijke infrastructuur voor de Nederlandse gebarentaal bestaat, geen punt van zorg. De stichting heeft gekozen voor een duidelijk andere invalshoek en zal dat naar verwachting ook blijven doen. Regelmatig overleg tussen de betrokken instellingen en goede informatie-uitwisseling blijft echter van belang. Bij de toewijzing van incidentele middelen voor bepaalde activiteiten dient de vraag of er van overlapping sprake is een terugkerend criterium te zijn.

[Staatscourant] [Persbericht]
x

Terug naar De Gebarenwereld